klik op de links hiernaast om
de verschillende soorten ara's te bekijken


Ondersoorten
.jpg)
Ringmaat: 7 mm
Lengte: 23 cm
Zuid-Amerika
Man en pop: bovenschedel tot aan de nek geheel zwart. Teugels alsmede een smalle streep onder de ogen donkergroen. Wangen en keelstreek geel, aan weerszijden van de hals overgaand in de oranjekleurige nekkraag. Tussen de groene teugels en de gele wangen bevindt zich een smalle overgangszone variërend van wit tot bleekgeel. Mantel, rug en bovenstaartdekveren donkergroen, evenals het vleugeldek; duimveertjes groenachtig geel. De wolachtig aandoende borst en buikbevedering is roomkleurig wit (witte en rafelige veertop, bleekgele veerbasis). Flanken en dijen oranje; onderstaartdekveren oranjegeel. Handpennen en primaire vleugeldekveren violetblauw met smalle donkergroene omzomingen. Bovenzijde grote staartpennen donkergroen, aan de uiteinden geel omzoomd; onderzijde bronsgeel. Donkere ogen met pruimrode iris, omgeven door naakte grijskleurige oogringen. Snavel en neusdop grijszwart. Poten grijs; nagels grijszwart
klik op de links hiernaast om
de verschillende soorten ara's te bekijken
Ondersoorten
Pionites m. melanocephala (Linnaeus, 1758)
Verspreidingsgebied: Noordoost Venezuela, oostwaarts door Guyana, Suriname
en Frans-Guyana; Noord-Brazilië ten noorden van de Amazone, westwaarts door
het zuiden van Venezuela tot Zuidoost-Colombia
Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.
Pionites m. pallida (Berlepsch, 1889)
Bleke zwartkopcaique
Verspreidingsgebied: van Zuid-Colombia zuidwaarts door Oost-Ecuador tot
Noordoost-Peru
Kenmerken: man en pop: onderscheidt zich van de nominaatvorm door bleker
getinte veervelden van wangen, keelstreek, nek, borst, buik, flanken en
dijen. De keelstreek, wangen en zijden van de hals zijn lichtgeel, evenals
de flanken en de dijen; nekkraag oranjegeel; borst en buik nagenoeg wit.
N.B.: op de grens van de leefgebieden van melanocephala en pallida in
Midden-Colombia komen bastaardvormen voor van beide ondersoorten.
Algemene info
De zwartkopcaique wordt iets vaker bij de liefhebber aangetroffen dan de
witbuikcaique, maar is zeker geen algemene verschijning in de avicultuur.
Ook wordt er regelmatig met de zwartkopcaique gefokt, zij het mondjesmaat.
Deze vogels kunnen vrij oud worden, 30 jaar en ouder. Geen vogel voor
beginnende vogelliefhebbers.
N.B.: aan de grenzen van de verspreidingsgebieden van P. melanura en P.
leucogaster komen beide soorten gezamenlijk voor en hybridiseren met elkaar.
Wet budep
Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II,
echter geen administratieplicht, ook niet voor de ondersoort.
Gedrag
Zeer levendig; wendbaar in hun bewegingen; goede klimmers, ze klauteren net
zo gemakkelijk langs het plafonddraad als tegen de zijwanden, waarbij ze hun
snavel niet gebruiken. Nieuwsgierig van aard; erg knaaglustig; luidruchtig,
brengen een storend schril geluid voort. Slapen met hun partner in broedblok
of nestkast. Eten in vergelijking met andere papegaaiachtigen van hun
grootte veel. Onverdraagzaam tegenover andere papegaaiachtigen, buiten de
broedtijd wel verdraagzaam met pionitessoorten. Kunnen vrij tam en
vertrouwelijk met hun verzorger worden, maar tonen in de broedperiode vaak
agressief gedrag.
Een paartje caiques is onafscheidelijk, doen steeds alles samen, daarom niet
geschikt om solitair in een kooi te houden.
Huisvesting en verzorging
Paarsgewijs in metalen volière met aansluitend (stenen) nachthok;
volièregrootte minimaal (lxbxh) 2 x 1 x 2 m, grootte van het nachthok
minimaal 1 x 1 x 2 m. In het nachtverblijf tijdens de wintermaanden de
temperatuur op minimaal 10° C houden. De vogels mogen dus in het koude
jaargetijde gerust naar buiten, maar moeten de mogelijkheid hebben de koude
te ontlopen.
Pas geïmporteerde zwartkopcaiques moeten met zorg geacclimatiseerd worden
bij een constante temperatuur van 20° C. Aangezien ze tijdens het transport
en de quarantaineperiode meestal zeer eenzijdig gevoerd zijn, moeten ze
geleidelijk aan een meer gevarieerde voeding wennen. In het begin zal het
een kwestie van uitproberen zijn. Bij de ene liefhebber eten ze bijv. rode
wortel, bij de ander kijken ze er niet naar om. Het voedsel aanbod moet
gevarieerd zijn (zie voeding). Zijn de vogels eenmaal geacclimatiseerd dan
eten ze vrijwel alles wat ze voorgezet krijgen.
Het blok waarin de vogels slapen en eventueel ook broeden, moet voorzien
worden van een laag vermolmd hout of houtkrullen en dient zo hoog mogelijk
in het nachthok opgehangen te worden, doch zodanig dat de vogels er nog
bovenop kunnen zitten. Hoewel deze vogels meestal de voorkeur geven aan een
natuurbroedblok, aanvaardt de zwartkopcaique ook wel een zelfgemaakte
nestkast. De opstaande wanden van de nestkast moeten tenminste 4 cm dik
zijn. Overige maten van de nestkast: hoogte 50 cm, binnenwerkse
bodemoppervlakte 20 x 20 cm, diameter invlieggat 6 cm; de maten voor een
natuurbroedblok zijn: hoogte 50 cm, binnenwerkse diameter 23 à 25 cm,
doorsnede invlieggat 6 cm.
Verse wilgentakken (geen treurwilg) of takken van (onbespoten) fruitbomen,
els of es om te knagen, moeten in ruime mate aanwezig zijn. Deze vogels
baden graag, veelal meerdere keren per dag, fris badwater mag dus nooit
ontbreken; eventueel regeninstallatie aanbrengen.
Voeding
De hoeveelheid zaden en de hoeveelheid groente en fruit samen dienen
ongeveer gelijk te zijn, daarnaast dient nog gekiemd zaad en eivoer
verstrekt te worden. Een goed zaadmengsel voor deze vogels bestaat uit
20% saffloerpitten; 5% zonnebloempitten, 25% sorghum, 10% padi, 10% gepelde
haver, 5% tarwe, 5% boekweit, 5% hennep, 5% witzaad, 5% gierst, de overige
5% kan bestaan uit aardnoten, ongebrande en gepelde aardnoten en enkele
walnootkernen. Wat betreft het fruitaandeel kan men kiezen uit appel, peer,
sinaasappel, banaan, druiven, kersen, aardbeien, rozenbottels en
lijsterbessen; groenten in de vorm van wortel, paprika, sla, komkommer,
halfrijpe maïs en vogelmuur; gekiemde zaden in de vorm van mungobonen
(katjang idjoe). Enkele malen per week het aangeboden fruit bestrooien met
een in de handel verkrijgbaar multivitamine/mineralenpreparaat. Buiten de
broedtijd enkele keren per week een kleine hoeveelheid eivoer rul gemaakt
met katjang idjoe geven. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit
verstrekken.
In de broedtijd elke dag eivoer geven, zoveel als de vogels willen opnemen.
Dierlijk eivoer verstrekken in de vorm van enkele garnalen, ook
hondenbrokken. Tevens loribrij aanbieden, eventueel kwark.
Fok
Met de zwartkopcaique zijn verschillende keren broedresultaten behaald, ook
in Nederland. Ook zijn er al broedresultaten gemeld met zwartkopcaiques die
eerder zelf in gevangenschap zijn geboren.
Ook bij deze soort is er geen zichtbaar geslachtsonderscheid. Veronderstelde
verschilpunten tussen man en pop, zoals verschil in grootte, breedte van de
bovensnavel en teugelkleur berusten op toeval en bieden geen enkele
zekerheid omtrent de aard van het geslacht. Alleen endoscopisch onderzoek
(ook DNA-onderzoek) kan hieromtrent zekerheid bieden.
Zwartkopcaiques zijn pas na ongeveer vijf jaar geslachtsrijp. Broedbegin
vanaf april. Gewoonlijk sleept de pop bijgestaan door de man allerlei kleine
takken en twijgen in het blok, Deze worden in het blok van de schors
ontdaan, waarna het hardste hout weer naar buiten wordt gewerkt. Ook een
groot gedeelte van de binnenwanden van het blok wordt onderhanden genomen en
tot spaanhout verwerkt. Van het aldus verkregen materiaal wordt een los
napvormig nest gemaakt.
Het legsel bestaat uit 2 - 4 eieren. Deze worden om de andere dag meestal in
de ochtenduren gelegd. De pop broedt gewoonlijk vanaf het eerste ei;
broedduur ongeveer 25 dagen, soms een dag langer als gevolg van de
omgevingstemperatuur. Man voert de pop op het nest, ’s nachts houdt hij haar
op het nest gezelschap. ’s Morgens, ’s middags en ’s avonds verlaat de pop
voor enkele ogenblikken het nest voor het doen van haar behoefte of om zich
te baden. Daarbij valt op, dat ze zich niet afschut, maar drijfnat weer in
het nestblok kruipt. Aangezien de pop vaker een bad neemt tegen de tijd dat
de eieren uit moeten komen en zich weer laat opdrogen zodra er jongen zijn,
lijkt het er op dat ze tijdens het broedproces zelf de
luchtvochtigheidsgraad in het blok regelt. Als de jongen uitkomen zijn ze
met wit dons bedekt. De eerste 9 à 10 dagen voert de pop alleen, daarna
krijgt ze hulp van de man. Na ongeveer 2 ½ week gaan de ogen open, een week
later komen de eerste veertjes door en moeten de jongen geringd worden;
ringmaat 7 mm. Gedurende de periode dat er jongen in het blok liggen, houdt
de pop het nest schoon. Minstens twee keer per week schart ze het bevuilde
nestmateriaal achterwaarts door het vlieggat naar buiten. De ouders zijn
zeer zorgzaam. Als de pop het nest verlaat, gaat de man onmiddellijk naar
binnen. Nestcontrole is wel mogelijk, maar wees wel bedacht op de
agressiviteit van de oudervogels in die periode. De jongen verlaten na ruim
tien weken het nest. Hoewel ze vrij snel daarna zelf voedsel opnemen, worden
ze nog ongeveer 5 weken door de ouders bijgevoerd.
Mutaties: geen.
tekst: Harrie vd.linden
Het-parkietenforum: Uw bron van informatie !!