Pionites Leucogaster witbuikcaique

Ondersoorten

  • Pionites l.leucogaster
  • Pionites l.xanthomeria
  • Pionites l.xanthurus

Ringmaat: 7 mm
Lengte: 23 cm
Zuid-Amerika

Soortbeschrijving

Formaat: ongeveer 23 cm.

Man en pop: kop, bovenste gedeelte van de oorstreek en nek oranje. Teugels, halszijden en keelstreek geel. . Mantel, rug en bovenstaartdekveren donkergroen, evenals het vleugeldek. De wolachtig aandoende borst en buikbevedering is roomkleurig wit (witte en rafelige veertop, bleekgele veerbasis). Flanken en dijen groen; onderstaartdekveren geel. Handpennen en primaire vleugeldekveren violetblauw met smalle donkergroene omzomingen. Bovenzijde grote staartpennen donkergroen; onderzijde grijszwart. Donkere ogen met pruimrode iris, omgeven door naakte witachtig roze oogringen. Snavel en neusdop hoornkleurig. Poten vleeskleurig; nagels hoornkleurig.

Ondersoorten

Pionites l. leucogaster (Kuhl, 1820)

Verspreidingsgebied: Noord-Brazilië ten zuiden van de Amazonerivier in de provincie Pará in het noordoosten van Mato Grosso en het oostelijke amazonegebied.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

Pionites. l. xanthomeria (Sclater, 1858)

Geeldij-witbuikcaique

Verspreidingsgebied: ten zuiden van de bovenstroom van de Amazonerivier in de provincie Amazonas verder westwaarts tot in Oost-Ecuador, Peru en Noord-Bolivia

Kenmerken: man en pop onderscheiden zich van leucogaster door gele dijen en flanken. De naakte oogring is grijsachtig. De snavel is hoornkleurig, maar aan de basis ietwat grijs getint. Poten donkergrijs; nagels grijszwart.

Noot: sommige vogels behorend tot deze ondersoort hebben donker gekleurde naakte oogringen, maar er zijn er ook waarbij de naakte oogring gewoon licht gekleurd is, dus witachtig roze; dit verschijnsel kennen we ook bij de jendayapaparkiet (Arantinga jandaya)


Pionites. l. xanthurus Todd, 1925

Geelstaart-witbuikcaique

Verspreidingsgebied: het leefgebied van xanthurus ligt ingeklemd tussen de verspreidingsgebieden van leucogaster en xanthomeria.

N.B.: aan de grenzen van de verschillende leefgebieden komen bastaardvormen voor; in het noorden en westen tussen de ondersoorten xanthurus en xanthomeria, in het zuidoosten tussen leucogaster en xanthurus.

Kenmerken: als leucogaster, maar over het geheel genomen wat fletser van kleur. Flanken, dijen en onderstaartdekveren zijn geel evenals de boven- en onderkant van de grote staartveren. Stuit en bovenstaartdekveren zijn groen, maar doorspekt met geel.

Algemene info

De witbuikcaique wordt slechts af en toe in kleine aantallen ingevoerd en zijn dus zeer beperkt in liefhebberskringen aanwezig, in ieder geval schaarser dan de zwartkopcaique. Zijn meestal alleen verkrijgbaar bij liefhebbers die zich speciaal op de fok van witbuikpapegaaien hebben toegelegd. Ofschoon goed geacclimatiseerde alsook in gevangenschap geboren witbuikcaques vrij sterk zijn en in gevangenschap ook tamelijk oud kunnen worden - 30 jaar en ouder – zijn ze in mijn visie minder geschikt voor beginnende vogelliefhebbers.

N.B.: aan de grenzen van de verspreidingsgebieden van P. leucogaster en P. melanura hybridiseren beide soorten met elkaar. Sommige ornithologen veronderstellen dat P. l. xanthomeria een kruisingsproduct van beide soorten is.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

Gedrag

Zeer levendig; wendbaar in hun bewegingen, hun klimcapaciteiten zijn ongeëvenaard waarbij, in tegenstelling met de meeste papegaaiachtigen de snavel niet gebruikt wordt. Uitgesproken nieuwsgierig van aard; erg knaaglustig; luidruchtig, brengen een storend schril geluid voort. Slapen in broedblok of nestkast. Eten in vergelijking met andere papegaaiachtigen van hun grootte veel. Onverdraagzaam tegenover andere papegaaiachtigen, buiten de broedtijd wel verdraagzaam met pionitessoorten.

Een paartje caiques is onafscheidelijk, ze doen alles samen: eten en drinken gezamenlijk, baden samen, zitten steeds naast elkaar op stok, slapen samen en als ze beginnen te krijsen – en dat doen ze bij vlagen zeer luid – doen ze dat ook weer gezamenlijk. Ik ken geen andere vogels waarin het verlangen naar gezelschap van de eigen soort zo sterk leeft dan bij de caiques. Alleen al om deze reden zou het van weinig dierenliefde getuigen deze soort als eenling te houden.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in volière met aansluitend nachthok. In verband met de knaaglust van deze vogels kan men de volière het beste van metaal maken en het nachtverblijf van steen; volièregrootte minimaal (lxbxh) 2 x 1 x 2 m, grootte van het nachthok minimaal 1 x 1 x 2 m. Het nachtverblijf zo inrichten dat hierin de temperatuur gedurende de wintermaanden op minimaal 15° C kan worden gebracht. De vogels mogen dus in het koude jaargetijde gerust naar buiten, maar moeten de mogelijkheid hebben de koude te ontlopen.

Witbuikcaiques zijn niet geschikt om solitair in een kooi te worden gehouden (zie gedrag).

Pas geïmporteerde caiques moeten met zorg geacclimatiseerd worden. Dit is echter niet zo eenvoudig omdat sommige buitengewoon kieskeurig zijn, maar er zijn er ook die alles uitproberen wat ze voorgezet krijgen. In het algemeen prefereren ze grof zaad boven fijn en hebben ze liever fruit dan groenvoer. Zonnebloempitten, halfrijpe kolfmaïs, appelpitten en walnoten worden meestal dadelijk geaccepteerd. Dit geldt ook voor appel, banaan, ongezwavelde geweekte rozijnen en vijgen. Ook honing opgelost in water wordt graag gedronken. Na een tijdje dient het menu uitgebreid te worden met een meer gevarieerd zaadmengsel alsook met groentensoorten (zie voeding). Vooral in het begin zijn sommige vogels lastige kostgangers en kan het maanden duren tot ze van het voor hun vreemde voedsel eten. Zorg tijdens de gewenningsperiode voor een constante temperatuur van 20° C. Volledig geacclimatiseerde caiques en in gevangenschap geboren exemplaren zijn wat de voeding betreft ongecompliceerd en eten vrijwel alles wat hen wordt voorgezet.

Het blok waarin de vogels de nacht doorbrengen en eventueel ook broeden, moet voorzien worden van een laag vermolmd hout of houtkrullen en dient zo hoog mogelijk in het nachthok opgehangen te worden, doch zodanig dat de vogels er nog bovenop kunnen zitten.

In tegenstelling met de meeste Zuid-Amerikaanse parkieten, die een voorkeur voor natuurbroedblokken hebben, aanvaardt de witbuikcaique ook wel een zelfgemaakte nestkast. De opstaande wanden van de nestkast moeten tenminste 4 cm dik zijn. Deze wanddikte is noodzakelijk omdat de vogels de binnenwanden afknagen. Overige maten van de nestkast: hoogte 50 cm, binnenwerkse bodemoppervlakte 20 x 20 cm, diameter invlieggat 6 cm; de maten voor een natuurbroedblok zijn: hoogte 50 cm, binnenwerkse diameter 23 à 25 cm, doorsnede invlieggat 6 cm.

Verse wilgentakken (geen treurwilg) of takken van (onbespoten) fruitbomen, els of es om te knagen, moeten in ruime mate aanwezig zijn. Deze vogels baden graag, veelal meerdere keren per dag, fris badwater mag dus nimmer ontbreken; eventueel regeninstallatie aanbrengen.

Voeding

Bij de voeding van witbuikpapegaaien moet de hoeveelheid zaden en de hoeveelheid groente en fruit samen ongeveer in evenwicht zijn, daarnaast dient nog gekiemd zaad en eivoer verstrekt te worden.

Wat de zaden betreft kan men een mengsel samenstellen van ongeveer 20% saffloerpitten; 5% zonnebloempitten, 25% sorghum, 10% padi, 10% gepelde haver, 5% tarwe, 5% boekweit, 5% hennep, 5% witzaad, 5% gierst, de overige 5% kan bestaan uit aardnoten, ongebrande en gepelde aardnoten en enkele walnootkernen. Wat betreft het fruitaandeel kan men kiezen uit appel, peer, sinaasappel, banaan, druiven, kersen, aardbeien, rozenbottels en lijsterbessen; groenten in de vorm van wortel, paprika, sla, komkommer, halfrijpe maïs en vogelmuur; gekiemde zaden in de vorm van mungobonen (katjang idjoe). Enkele malen per week het aangeboden fruit bestrooien met een in de handel verkrijgbaar multivitamine/mineralenpreparaat. Buiten de broedtijd enkele keren per week een kleine hoeveelheid eivoer rul gemaakt met katjang idjoe aanbieden. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit verstrekken.

In de broedtijd elke dag eivoer geven, zoveel als de vogels willen opnemen. Dierlijk eivoer verstrekken in de vorm van enkele garnalen, ook hondenbrokken. Tevens loribrij aanbieden, eventueel kwark.

Fok

Lukt af en toe, maar de tendens is wel dat het aantal geslaagde broedsels de laatste jaren toeneemt. Het eerste probleem dient zich aan bij het samenstellen van een koppel. Er is geen zichtbaar geslachtsonderscheid waarbij nog komt dat twee mannen of twee poppen zich eender gedragen als een echt koppel. Dikwijls veronderstelde verschilpunten tussen man en pop, zoals verschil in grootte en breedte van de bovensnavel berusten op toeval en bieden geen enkele zekerheid omtrent de aard van het geslacht. Om zekerheid te hebben of men wel een koppel heeft moet men de vogels endoscopisch laten onderzoeken. Men kan dan tevens vaststellen of de dieren gezond en geslachtsrijp zijn. Voor de vaststelling van het geslacht kan men tegenwoordig ook DNA-onderzoek laten doen.

Witbuikpapegaaien zijn pas na ongeveer vijf jaar geslachtsrijp, veel eerder kan men er niets van verwachten. Wanneer de vogels zo omstreeks mei broedneigingen krijgen wordt het broedblok in gereedheid gebracht met het afknagen van de binnenwand. Sommige poppen slepen bijgestaan door de man allerlei kleine takken en twijgen in het blok, Deze worden in het blok van de schors ontdaan, waarna het hardste hout weer naar buiten wordt gewerkt. Van het aldus verkregen materiaal wordt een los napvormig nest gemaakt. Indien de wanden van het broedblok te dun zijn, bestaat het gevaar dat de vogels het blok gesloopt hebben voordat het eerste ei is gelegd, vandaar ook dat ik steeds adviseer erop toe te zien, dat de opstaande wanden minimaal 4 cm dik zijn.

Het legsel bestaat uit 2 - 4 eieren. Deze worden om de andere dag meestal in de ochtenduren gelegd; vaak zijn relatief veel eieren onbevrucht. De pop broedt vanaf het eerste ei, een taak die ze alleen volbrengt; broedduur ongeveer 25 dagen, maar kan door de omgevingstemperatuur enigszins worden beïnvloed. Man voert de pop op het nest, ’s nachts houdt hij haar op het nest gezelschap. De eerste 9 à 10 dagen voert de pop alleen, daarna krijgt ze hulp van de man. Wanneer de stoppels doorkomen moeten de jongen geringd worden; ringmaat 7 mm. Nestcontrole is goed mogelijk, maar wees wel bedacht op de agressiviteit van de oudervogels in die periode. De jongen verlaten het nest gewoonlijk pas tussen de elfde en twaalfde week. Tien dagen daarna eten ze zelfstandig, maar worden dan nog ongeveer 5 weken door de ouders bijgevoerd.

Mutaties: geen

tekst: harrie vd;linden