Aratinga pintoi
Pinto parkiet
Ook: Zwavelborstparkiet
Aratinga pintoi (MZUSP 75746)
Verspreidingsgebied: Het noordoosten van Pará (Brazilië), ten noorden van de
Amazone.
Soortbeschrijving
Formaat: 30 cm.
Man en pop: voorhoofd, omgeving van de ogen, wangen en oorstreek zijn
lichtoranje; boven- en achterschedel, nek en mantel lichtgeel tot
groenachtig geel. Vleugeldek en bovenste gedeelte van de rug groen met
lichtgele veerzomen. Keel, kropstreek en borst zijn zwavelgeel; de
borstveertjes hebben een donkere veerschacht. Onderrug, stuit en
bovenstaartdekveren tonen een mengeling van groen, geel en oranje waarbij op
het bovenstaartdek het groen de overhand heeft. Buik, flanken en dijen tonen
een vlekkerige lichtoranje kleur (gele veerbasis met oranje veerzoompjes).
Onderstaartdekveren groen met onregelmatige gele veerzoompjes, wat enigszins
vlekkerig aandoet. Primaire vleugeldekveren diepblauw; secundaire
vleugeldekveren grasgroen aan de toppen geel gezoomd. Hand- en armpennen
grasgroen, de handpennen aan de uiteinden overgaand in diepblauw. Bovenzijde
grote staartveren olijfachtig groen, naar de uiteinden toe overgaand in
diepblauw; onderzijde grote staartveren olijfachtig grijs. Ogen zwart met
donkerbruine iris omgeven door een naakte witachtige oogring. Snavel
zwartachtig grijs; poten grijs, nagels grijszwart.
Biotoop
Deze vogels hebben een voorkeur voor droge en halfdroge zandgronden met
kreupelhout en open boombestand en een gematigde droogteperiode.
Status wildpopulatie
Moeilijk te zeggen, maar waarschijnlijk gaat het om een beperkte populatie
in een relatief klein gebied, anderzijds schijnen deze vogels in het
verspreidingsgebied redelijk vaak gesignaleerd te worden.
Leefwijze
Komt overeen met deze van de zonparkiet (Aratinga solstitialis)
Algemene informatie
Deze nieuwe aratingasoort werd in 2003 voor het eerst beschreven door de
Braziliaanse bioloog Luis Fábio Silveira. Hij vernoemde de soort naar de
wereldvermaarde Braziliaanse ornitholoog Dr. Olivério Mário de Oliveira
Pinto (1896-1981), die al in 1966 op de afwijkende kleur van de bevedering
van deze vogels ten opzichte van de zonparkiet gewezen had.
Men gaat er thans van uit dat de zonparkiet (Aratinga solstitialis), de
jendayaparkiet (Aratinga jandaya), de goudkapparkiet (Aratinga auricapillus)
en de Pinto parkiet (Aratinga pintoi) nauw verwant zijn aan elkaar en tot
een soortgroep behoren die thans met “solstitialisgroep” wordt aangeduid.
Avicultuur
De populatie van deze vogels in gevangenschap is zover bekend zeer gering en
waarschijnlijk beperkt tot enkele liefhebbers in de omgeving van hun
geboortestreek.
Dr. Roland Seitre, een vermaarde Franse ornitholoog ontdekte op een van zijn
reizen bij een liefhebber in de omgeving van Belém, de hoofdstad van Pára,
in 1993 een koppel sterk op de zonparkiet gelijkende vogels, maar die een
minder briljante gele kleur hadden en op het vleugeldek gele vlekken
toonden. Hij maakte verschillende opnames van deze vogels, maar hield ze
voor jonge zonparkieten. Toen dr. Seitre in 2005 de eerste beschrijving van
Aratinga pintoi onder ogen kreeg, realiseerde hij zich meteen dat de vogels
die hij 12 jaar eerder in Belém gefotografeerd had aan deze beschrijving
voldeden, ergo Pinto parkieten moeten zijn geweest.
De kans dat deze vogels ooit naar Europa zullen komen is klein. Vogels uit
wildvang mogen sinds kort niet meer ingevoerd worden. Voor vogels die uit
voličremilieus stammen, gelden andere bepalingen, maar zover is het nog niet
want over broedresultaten met deze vogels is niets bekend.
Zouden deze vogels ooit geďmporteerd worden, kunnen zij - na zorgvuldige
acclimatisatie - ondergebracht worden in een niet te kleine buitenvoličre (lxbxh)
3 x 1 x 2 m met aangebouwd vorstvrij te houden nachtverblijf van ca. 1,5 x 1
x 2 m. Als slaapplaats een natuurbroedblok aanbieden van ca. 50 ŕ 60 cm
hoogte, en een binnenwerkse diameter van 20 cm, doorsnede invlieggat 7 cm.
Als voedsel dient men een gevarieerd zaadmengsel te verstrekken waarin de
volgende zaden voorkomen: tarwe, haver, padi, rode en witte dari, diverse
gierstsoorten, hennep, boekweit, saffloer- en zonnebloempitten. Verder
allerhande fruit en groentensoorten. Vanzelfsprekend dienen vers drinkwater,
maagkiezel, grit en een mineralenblok steeds ter beschikking te staan.
Hoewel het er dus voorlopig niet naar uit ziet, dat we deze vogels binnen
afzienbare tijd in liefhebberskringen zullen aantreffen, blijf ik hopen ze
ooit nog eens in levende lijve te mogen zien, al was het maar in een van de
grote Europese vogelparken.





