ARATINGA'S EN ANDERE CONURES                                                                                       Parkietenforum infowebsite

04 Januari 2010

Aratinga pintoi

Aratinga pintoi - nový druh

Aratinga pintoi

Pinto parkiet

Ook: Zwavelborstparkiet

Aratinga pintoi (MZUSP 75746)

Verspreidingsgebied: Het noordoosten van Pará (Brazilië), ten noorden van de Amazone.

Soortbeschrijving

Formaat: 30 cm.

Man en pop: voorhoofd, omgeving van de ogen, wangen en oorstreek zijn lichtoranje; boven- en achterschedel, nek en mantel lichtgeel tot groenachtig geel. Vleugeldek en bovenste gedeelte van de rug groen met lichtgele veerzomen. Keel, kropstreek en borst zijn zwavelgeel; de borstveertjes hebben een donkere veerschacht. Onderrug, stuit en bovenstaartdekveren tonen een mengeling van groen, geel en oranje waarbij op het bovenstaartdek het groen de overhand heeft. Buik, flanken en dijen tonen een vlekkerige lichtoranje kleur (gele veerbasis met oranje veerzoompjes). Onderstaartdekveren groen met onregelmatige gele veerzoompjes, wat enigszins vlekkerig aandoet. Primaire vleugeldekveren diepblauw; secundaire vleugeldekveren grasgroen aan de toppen geel gezoomd. Hand- en armpennen grasgroen, de handpennen aan de uiteinden overgaand in diepblauw. Bovenzijde grote staartveren olijfachtig groen, naar de uiteinden toe overgaand in diepblauw; onderzijde grote staartveren olijfachtig grijs. Ogen zwart met donkerbruine iris omgeven door een naakte witachtige oogring. Snavel zwartachtig grijs; poten grijs, nagels grijszwart.


Biotoop

Deze vogels hebben een voorkeur voor droge en halfdroge zandgronden met kreupelhout en open boombestand en een gematigde droogteperiode.

Status wildpopulatie

Moeilijk te zeggen, maar waarschijnlijk gaat het om een beperkte populatie in een relatief klein gebied, anderzijds schijnen deze vogels in het verspreidingsgebied redelijk vaak gesignaleerd te worden.


Leefwijze

Komt overeen met deze van de zonparkiet (Aratinga solstitialis)

Algemene informatie

Deze nieuwe aratingasoort werd in 2003 voor het eerst beschreven door de Braziliaanse bioloog Luis Fábio Silveira. Hij vernoemde de soort naar de wereldvermaarde Braziliaanse ornitholoog Dr. Olivério Mário de Oliveira Pinto (1896-1981), die al in 1966 op de afwijkende kleur van de bevedering van deze vogels ten opzichte van de zonparkiet gewezen had.
Men gaat er thans van uit dat de zonparkiet (Aratinga solstitialis), de jendayaparkiet (Aratinga jandaya), de goudkapparkiet (Aratinga auricapillus) en de Pinto parkiet (Aratinga pintoi) nauw verwant zijn aan elkaar en tot een soortgroep behoren die thans met “solstitialisgroep” wordt aangeduid.


Avicultuur

De populatie van deze vogels in gevangenschap is zover bekend zeer gering en waarschijnlijk beperkt tot enkele liefhebbers in de omgeving van hun geboortestreek.
Dr. Roland Seitre, een vermaarde Franse ornitholoog ontdekte op een van zijn reizen bij een liefhebber in de omgeving van Belém, de hoofdstad van Pára, in 1993 een koppel sterk op de zonparkiet gelijkende vogels, maar die een minder briljante gele kleur hadden en op het vleugeldek gele vlekken toonden. Hij maakte verschillende opnames van deze vogels, maar hield ze voor jonge zonparkieten. Toen dr. Seitre in 2005 de eerste beschrijving van Aratinga pintoi onder ogen kreeg, realiseerde hij zich meteen dat de vogels die hij 12 jaar eerder in Belém gefotografeerd had aan deze beschrijving voldeden, ergo Pinto parkieten moeten zijn geweest.
De kans dat deze vogels ooit naar Europa zullen komen is klein. Vogels uit wildvang mogen sinds kort niet meer ingevoerd worden. Voor vogels die uit voličremilieus stammen, gelden andere bepalingen, maar zover is het nog niet want over broedresultaten met deze vogels is niets bekend.
Zouden deze vogels ooit geďmporteerd worden, kunnen zij - na zorgvuldige acclimatisatie - ondergebracht worden in een niet te kleine buitenvoličre (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met aangebouwd vorstvrij te houden nachtverblijf van ca. 1,5 x 1 x 2 m. Als slaapplaats een natuurbroedblok aanbieden van ca. 50 ŕ 60 cm hoogte, en een binnenwerkse diameter van 20 cm, doorsnede invlieggat 7 cm.


Als voedsel dient men een gevarieerd zaadmengsel te verstrekken waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, haver, padi, rode en witte dari, diverse gierstsoorten, hennep, boekweit, saffloer- en zonnebloempitten. Verder allerhande fruit en groentensoorten. Vanzelfsprekend dienen vers drinkwater, maagkiezel, grit en een mineralenblok steeds ter beschikking te staan.
Hoewel het er dus voorlopig niet naar uit ziet, dat we deze vogels binnen afzienbare tijd in liefhebberskringen zullen aantreffen, blijf ik hopen ze ooit nog eens in levende lijve te mogen zien, al was het maar in een van de grote Europese vogelparken.