Aratinga finschi
Verspreidingsgebied: van Zuid-Nicaragua zuidwaarts tot
West-Panama
Soortbeschrijving
Formaat: 28 cm.
Man en pop: voorhoofd, over de volle snavelbreedte en van daar op enige
afstand voorbij en bovenlangs de ogen in een punt uitlopend tot midden op
kruin, diep rood. Algemene lichaamskleur groen; achterkop, nek, zijden van
de kop, mantel, rug, stuit, bovenstaartdekveren, vleugeldek, hals en
bovenborst donkergrasgroen; oorstreek een nuance lichter groen, ietwat
geliger; borst, buik, flanken, dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren
grasgroen, het groen veelal onderbroken door een verdwaald rood veertje
voornamelijk op de halszijden en op de borst; vleugelbocht en
duimvleugelrand evenals de ondervleugeldek-veren variërend van oranjerood
tot rood. Vleugelpennen donkergrasgroen aan de veertoppen iets grijs
gezoomd. Bovenzijde grote staartpennen donkergrasgroen; onderzijde
olijfgeel. Donkere ogen met bruinrode irisring. De naakte oogring is
roomkleurig. Snavel hoornkleurig met vleeskleurige neusdop. Poten
bruinachtig grijs; nagels grijszwart.
Biotoop
Vlakland en het lagere bergland vooral open tot halfopen gebieden met lichte
boomgroei, ook halfopen landbouwgebieden en weidelandschappen waarin
bosgebied afgewisseld wordt met open landschappen. Seizoensgebonden ook wel
in halfopen berglandschappen tot een hoogte van 1600 m.
Status wildpopulatie
Veelvuldig voorkomend, bestand neemt plaatselijk zelfs toe.
Leefwijze
Trekvogels; buiten de broedtijd in kleine groepen van 6 tot 10 vogels, soms
grote zwermen van 100 en meer stuks. Binnen de groep houden de paren nauw
contact. 's Avonds zoeken ze slaapbomen op en vormen dan enorme kolonies van
meerdere honderden exemplaren. Deze vogels houden zich veel op in het dichte
bladerdek van bomen zoekend naar voedsel. Ze voeden zich met zaden,
vruchten, noten, bessen en groene plantendelen; veroorzaken tegen de
oogsttijd schade op graanakkers. Over hun broedgewoonten is vrijwel niets
bekend, maar waarschijnlijk maken ze voor het nest gebruik van boomholtes.
Natuurlijke broedtijd vanaf juli.
Algemene informatie
Uiterst zeldzaam in gevangenschap, ook in hun geboorteland, slechts
sporadisch in Europa ingevoerd.
Eerste broedresultaat in 1988 in Duitsland
Wet budep
Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.
Gedrag
Na gewenning sterke vogel; rustig van aard; geringe behoefte tot knagen;
hard stemgeluid; buiten de broedtijd vreedzaam tegenover andere soorten;
baden graag.
Huisvesting en verzorging
Paarsgewijs huisvesten in een metalen buitenvolière van minimal (lxbxh) 2,5
x 1 x 2 m met aangebouwd nachtverblijf van (lxbxh)1 x 1 x 2 m, waarin het
tijdens de wintermaanden minimaal vorstvrij blijft en een daglengte van
ongeveer 12 uur gewaarborgd is. In het nachtverblijf liefst meerdere
dikwandige natuurbroedblokken ophangen die tevens als slaapplaats dienen;
afmetingen blok 50 tot 60 cm hoog, diameter 22 tot 25 cm, doorsnede
invlieggat 6 cm; aan de binnenzijde van het broedblok onder het invlieggat
een aantal krammen aanbrengen om het in- en uitgaan te vergemakkelijken. Op
de bodem van het blok een laag houtmolm of houtsnippers aanbrengen, geen
turfmolm (schimmelvorming!); de blokken het gehele jaar door laten hangen.
Bij geschakelde binnenverblijven ondoorzichtige tussenschotten plaatsen,
tussen de volières dubbel gaas gebruiken. Regelmatig verse knaagtakken
aanbieden. Dagelijks zorgen voor een platte schaal met water waarin de
vogels zich kunnen baden.
Voeding
Als basis kan men een zaadmengsel voor grote parkieten geven waarin de
volgende zaden voorkomen: tarwe, gerst, haver, padie, rode en witte dari,
negerzaad, diverse gierstsoorten, witzaad, hennep, saffloer- en
zonnebloempitten, deze laatste 10-15%; de grovere zaden ook geweekt of
gekiemd aanbieden. Halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals
halfrijpe haver en tarwe in de aar, ook allerhande halfrijpe gras- en
onkruidzaden. Verder fruit zoals appel, rozenbottels, daarnaast bessen van
vuurdoorn en lijsterbes; van de groentesoorten vooral rode wortel en
bladgroente. Dagelijks eivoer (gerantsoeneerd) verstrekken, eventueel
aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters (insectenpaté of
universeelvoer). Dagelijks zorgen voor vers drinkwater, maagkiezel, grit en
een mineralenblok dienen steeds ter beschikking te staan. In de broedtijd in
principe hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer geven,
d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen, ook in melk geweekt oud brood wordt
in deze periode graag opgenomen.
tekst: harrie vd linden
Kweek:
Er zullen maar weinig liefhebbers zijn die met deze soort succesvol hebben
gebroed, op de eerste plaats omdat er maar weinig exemplaren in
gevangenschap gehouden worden, want de fok met deze vogels schijnt, gelet op
de ervaringen van het vogelpark Walsrode, niet bijzonder moeilijk te zijn.
Om voor de fok te worden ingezet moeten de vogels ongeveer twee jaar oud
zijn. Er is geen enkel geslachtsonderscheid, zodat we om het geslacht vast
te stellen de vogels moeten laten seksen. Vanaf april beginnen de vogels in
broedstemming te komen. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 3 - 4 eieren, een
enkele keer 5, die met tussenpozen van twee dagen worden gelegd. De pop
broedt alleen; broedduur 23 dagen. Bij het uitkomen hebben de jongen een
weinig wit nestdons, dat naarmate ze ouder worden, vervangen wordt door
grijs nestdons. Wanneer de jongen ongeveer 14 dagen oud zijn gaan de ogen
open en moeten ze geringd worden; ringmaat 6 mm. De nesttijd is ca 8 weken.
Als de jongen het nest verlaten is de kop nog helemaal groen.
Wanneer er jongen zijn, kunnen de oudervogels bijzonder agressief worden,
houd bij nestcontrole hiermee rekening.
Pas uitgevlogen Finsch’ parkieten zijn erg schrikachtig en schuw. Scherm
daarom de kopse kant van de volière af met wat dennentakken of iets
dergelijks, zodat de jonge vogels zich minder gauw verwonden.
Vier weken na het uitvliegen zijn de jongen zelfstandig.
tekst : harrie vd linden





