Aratinga canicularis
Soortbeschrijving
Formaat: 24 cm.
Man en pop: de kop is versierd met een tamelijk brede voorhoofdsband die aan
weerszijden doorloopt tot aan de teugels. Aansluitend hieraan een matblauw
veerveld dat doorloopt tot op de kruin en vervolgens overgaat in de algemene
lichaamskleur.
Algemene lichaamskleur groen; achterkop, nek, mantel, vleugeldek, rug, stuit
en bovenstaartdekveren donkergrasgroen; teugels, wangen, bef en bovenborst
vaal olijfbruin; onderborst, buik, flanken, dijen, anaalstreek en
onderstaartdekveren groenachtig geel. De kleurafscheiding welke dwars over
het midden van de borst loopt is vrij scherp. Buitenvlaggen handpennen groen
naar de uiteinden overgaand in blauw; buitenvlaggen armpennen diep
korenbloemblauw Bovenzijde grote staartpennen donkergrasgroen; onderzijde
dof olijfgeel. Snavel hoornkleurig. Oogiris geel; de naakte oogring is
geelwit. Poten bruingrijs; nagels donkergrijs.
Ondersoorten
A. c. canicularis (Linnaeus 1758)
Verspreidingsgebied: van Zuidwest-Mexico tot West-Costa Rica
Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.
A. c. clarae Moore 1937
West-Mexicaanse Petz's parkiet
Ook: Sinaloa Petz's parkiet
Verspreidingsgebied: Westcentraal- en Zuid-west-Mexico
Kenmerken: Formaat 24 cm. Gelijkend op A. c. canicularis maar de
voorhoofdsband is minder breed en reikt niet tot aan de naakte oogring; het
blauw op het voorste gedeelte van de kruin loopt aan de voorzijde van het
oog door tot aan de teugel. Algemene lichaamskleur groener; bef en
bovenborst vaal olijfgroen; onderborst, buik, flanken, dijen, anaalstreek en
onderstaartdekveren groener minder geel getint. Zwartachtige vlek aan
weerszijden op de ondersnavel.
A. c. eburnirostrum (Lesson 1842)
Zuid-Mexicaanse Petz's parkiet
Verspreidingsgebied: Zuidwest-Mexico
Kenmerken: Formaat: 24 cm. Gelijkend op nominaatvorm maar onderlichaam is
groener minder geel getint. De oranje voorhoofdsband is minder breed.
Bruingrijze vlek aan weerszijden op de ondersnavel.
Biotoop
Vlakland, langs waterlopen en bosranden, struikbossen, open en halfopen
grasvlakten met verspreid voorkomende bomen en struiken, ook in loofwoud,
doch steeds in de nabijheid van water; vogels worden plaatselijk ook in het
middelgebergte aangetroffen tot 1200 m, zelden hoger.
Status wildpopulatie
Veelvuldig voorkomend.
Leefwijze
Gewoonlijk in kleine groepen tot 30 vogels, na de broedtijd soms ook in
grote zwermen van meerdere honderden vogels. In de broedtijd zonderen de
paren zich af. Deze vogels broeden vrijwel uitsluitend in nesten van
boomtermieten. Hierin graven ze een ongeveer 30 cm lange gang welke schuin
naar boven loopt, aan het einde hiervan wordt dan de broedkamer ingericht.
Ze leven van allerlei vruchten vooral vijgen en mango's, zaden, noten,
bessen, bloesems, insecten en hun larven, komen ook voor in gebieden met
akkerbouw en op plantages.
Algemene informatie
Deze vogels komt men nog maar weinig bij de liefhebbers tegen. De A. c.
canicularis is het minst ingevoerd, de A. c. eburnirostrum het meest, van
beide ondersoorten zijn meldingen van nafok, echter niet van de van de A. c.
clarae. De reden hiervan is waarschijnlijk dat alle ondersoorten als Petz's
parkiet worden aangeboden en men dus vaak van mening is de no-minaatvorm te
bezitten.Eerste broedresultaat met A. a. canicularis in 1932 in Duitsland;
met A. c. eburnirostrum in 1937 in de USA. Wat uiterlijk betreft, vertoont
de Petz' parkiet veel overeenkomst met de goudvoorhoofdparkiet (Aratinga
aurea) en wordt er ook wel mee verwisseld. Het verschil is echter meteen te
zien wanneer men naar de snavel kijkt: de Petz's parkiet heeft een
hoornkleurige snavel, de goudvoorhoofdparkiet een zwarte. De Petz's parkiet
is geschikt om solitair in een ruime kamervolière te worden gehouden, maar
moet dan wel in gevangenschap geboren zijn.
Wet budep
Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II.
Gedrag
Aangename sterke volièrevogel met een rustig karakter. Wanneer ze aan hun
verblijf gewend zijn, verdwijnt hun aanvankelijke schuwheid en laten ze ook
hun krijsende stem minder vaak horen en is hun stemgeluid nauwelijks storend
te noemen. Deze vogels zijn weinig knaaglus-tig. Buiten de broedperiode
vredelievend tegenover soortgenoten en andere parkietensoorten van gelijke
grootte, zijn ook met agapornidensoorten goed samen te houden. Petz's
parkieten baden zelden. Wennen niet gauw aan slaap/broedblok.
Huisvesting en verzorging
Minimale volièrematen (lxbxh) 2,5 x 1 x 2 m met aansluitend een klein
binnenverblijf van minimaal (lxbxh) 1,5 x 1 x 2 m, waarin het koude
jaargetijde vorstvrij blijft. De tijdklok zo instellen dat de vogels
minimaal 12 uur licht krijgen. Hoewel ze in de natuur een holte graven in de
wand van een termietennest, wordt een dikwandig natuurbroedblok gewoonlijk
wel geaccepteerd, maar ook een zelf vervaardigde nestkast doet het als regel
wel; afmetingen blok 35 cm hoog, diameter 20 à 22 cm, doorsnede invlieggat 6
à 7 cm. Soms kan het echter jaren duren voordat het blok geaccepteerd wordt.
Een halfvergane wilgenboom met holten kan soms uitkomst bieden, hierin
kunnen de vogels (hoofdzakelijk de man) dan zelf hun nestholte maken. Ook
nestkasten ingekapseld in leem zodat ze wat meer op een termietennest
lijken, zouden eens uitgeprobeerd kunnen worden. Er is al veel gewonnen als
de vogels de nestgelegenheid accepteren om er te slapen. De nestgelegenheid
in het nachtverblijf zo mogelijk wat aan het zicht onttrokken plaatsen,
zodat de vogels zich er veilig in voelen.
Regelmatig verse takken aanbieden om aan te knagen, bijv. wilgentakken of
takken van onbespoten fruitbomen. Dagelijks vers badwater verstrekken,
hoewel ze er niet vaak gebruik van zullen maken.
Voeding
Als basisvoedsel krijgen deze vogels een zaadmengsel voor grote parkieten
met een niet te hoog percentage zonnebloempitten (maximaal 10-15%), de
grotere zaden liefst gekiemd aanbieden, daarnaast verstrekken we een goed
eivoer (gerantsoeneerd), eventueel aangevuld met wat universeelvoer waarin
gedroogde insecten of mierenpoppen zijn verwerkt, het geheel rul maken met
grove gekiemde of gekookte zaden.. Verder dagelijks wat fruit in de vorm van
een stukje appel of sinaasappel en indien verkrijgbaar mango's en vijgen.
Ook allerhande groenvoer zoals wortel, muur, andijvie, witlof of boerenkool
wordt graag genomen. Verder kan men deze vogels dagelijks nog een halve kolf
halfrijpe maïs geven, ook allerlei onkruidzaden en halfrijpe aren van haver
en tarwe wordt graag gegeten. Dagelijks twee tot drie meelwormen per vogel
aanbieden, een paar gedroogde garnalen laten ze meestal ook niet liggen.
Denk niet te gauw dat uw vogels dit niet lusten. Vooral aratinga's staan
bekend om hun conservatisme wat betreft het aannemen van 'vreemd' voedsel.
Soms moet men iets wekenlang aanbieden, voordat er van gegeten wordt.
Elke dag zorgen voor vers drinkwater. Maagkiezel, grit en een mineralenblok
dienen steeds ter beschikking te staan.
In de broedtijd hetzelfde voedsel verstrekken, maar ongelimiteerd eivoer
geven, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen. Als er jongen zijn dagelijks
wat verse mierenpoppen onder het eivoer bijmengen en de hoeveelheid
meelwormen geleidelijk aan opvoeren.
Er zijn meldingen van twee broedsels per jaar.
tekst : harrie vd linden





